Gegevens

Uit Veiligheidsregio referentie architectuur
Ga naar: navigatie, zoeken

In het volgende deel van het applicatielandschap worden gegevensgroepen van veiligheidsregio’s benoemd, onderverdeeld naar basisregistraties, externe gegevensbronnen, eigen kernregistraties en interne gegevensbronnen.

De gegevens in basisregistraties worden eenmalig ingevoerd. Daarna worden deze gegevens door de gehele overheid gebruikt. Externe gegevens die niet vervat zijn in het Stelsel van Basisregistraties worden aangeduid met externe gegevensbronnen. De gegevens in een kernregistratie worden ook eenmalig ingevoerd maar daarna worden deze gegevens door de gehele Veiligheidsregio gebruikt. De gegevens van een interne gegevensbronnen worden alleen door één organisatie-eenheid gebruikt.

Basisregistraties

Om haar werk te doen heeft de overheid gegevens nodig die zijn vastgelegd in ongeveer 30.000 verschillende registraties. Basisregistraties zorgen ervoor dat gegevens minder versnipperd en eenvoudiger beschikbaar zijn. Steeds alle gegevens die bij elkaar horen op één plek verzamelen; dat is in essentie een basisregistratie. Uiteindelijk zullen losse basisregistraties gaan functioneren als één logisch, samenhangend geheel: het Stelsel van Basisregistraties. Dit stelsel zorgt dat bij het beantwoorden van een vraag of het oplossen van een probleem direct alle relevante gegevens uit verschillende registraties bij elkaar kunnen komen. Basisregistraties zijn bij wet vastgelegd en overheidsorganisaties zijn of worden verplicht ze te gebruiken, afhankelijk van het ontwikkelstadium van de basisregistratie.

Er zijn dertien basisregistraties:

• GBA – Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (wordt BRP) (Gemeenten)

• NHR – Nieuwe Handelsregister (Kamer van Koophandel NL)

• BAG – Basisregistratie Adressen en Gebouwen (Gemeenten, Kadaster)

• BRT – Basisregistratie Topografie, met de Top10NL topografie (Kadaster)

• BRK – Basisregistratie Kadaster (percelen, eigendom) (Kadaster)

• BRV – Basisregistratie Voertuigen (kentekenregistratie) (RDW)

• BRI – Basisregistratie Inkomens (SZW)

• WOZ – Basisregistratie Onroerende Zaken (waardebepaling) (Gemeenten)

• RNI – Registratie Niet-Ingezetenen (wordt BRP) (Gemeenten)

• BGT – Basisregistratie Grootschalige Topografie (vh. GBKN) (400+ bronhouders)

• BRO – Basisregistratie Ondergrond (voorheen ook wel DINO) (TNO)

Niet alle basisregistraties zijn voor alle VeRA bedrijfsfuncties van even groot belang. Aangezien het werk zich vaak concentreert rond de vraag “Waar is het en wat is daar?” zijn vooral de locatiegebaseerde basisregistraties van belang. Dat betreft: de BAG, de BRT, de BRO, de WOZ en de BGT (in ontwikkeling). Verder wordt ook het Nieuwe Handelsregister (NHR) steeds belangrijker om de juiste instelling/ organisatie op de kaart te kunnen vinden.

Locatiegebaseerde basisregistraties zijn in het algemeen beschikbaar via de Publieke Dienstverlening op de Kaart¹ en te vinden in het bijbehorende Nationaal Georegister² . Enkele basisregistraties bieden ruimte voor zgn. sectorale ‘plus-lagen’, dus ook voor de OOV. Dit biedt ruimte om OOV-specifieke kenmerken in een basisregistratie geborgd te krijgen. Een voorbeeld vormen de complexe ondergrondse objecten (tunnels, treintunnels) die niet standaard in de BGT zitten, maar wel in de BGT OOV+ laag. Op landelijk niveau is de OOV-sector vertegenwoordigd in het BGT gebruikerspanel.

¹PDOK, www.pdok.nl

²Zie www.nationaalgeoregister.nl. Voor het zien van de data is een GIS viewer vereist

Externe gegevensbronnen

Hier gaat het om externe gegevens die niet vervat zijn in het Stelsel van Basisregistraties. Hieronder vallen (niet volledig):

• Luchtfoto’s loodrecht (uit de Landelijke Aanbesteding Beeldmateriaal);

• 3D-foto’s (uit de Landelijke Aanbesteding Beeldmateriaal);

• Wegen, hetzij uit het NWB (RWS) of externe bronnen zoals OpenStreetMap *;

• Actuele Hoogtekaart Nederland (thans AHN2, 0,5x0,5m) (RWS/ Waterschappen) *;

• De risicokaart (IPO/Bij12) **;

• Locaties Bluswaterwinpunten, w.o. Brandkranen (Vewin en haar leden);

• De Natura2000 gebieden *;

• De WAS sirenepalen (LFR/Siemens);

• Het Antenneregister (Telecommasten) (Dienst Antenneregister) *;

• De Hydrografie (vaarwegen, dieptelijnen, betonning) (RWS/ Defensie) ***;

• ProRail spoorelementen (ProRail);

• CBS Wijken, buurten en demografische gegevens (CBS) *;

• Postcodegebieden (PostNL);

• Locaties Cultureel Erfgoed (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) *;

• De Bewegwijzering, m.n. de ANWB Paddenstoelen (RWS Bewegwijzeringdienst) *;

• Landelijk Register locaties Kinderopvang en Gastoudergezinnen *.

In de verdere ontwikkeling van de VeRA zal gekeken worden naar welke externe gegevensbronnen noodzakelijk zijn voor welke bedrijfsfuncties. Van belang daarbij is dat niet alle externe gegevensbronnen ‘zomaar’ beschikbaar zijn, d.w.z. niet alles is ‘open data’. Bij bronnen die ten tijde van de publicatie van VeRA2 wél open data zijn, is dat aangegeven met één sterretje *. Deze bronnen worden landelijk ter beschikking gesteld via het Programma Geo van het Veiligheidsberaad. Voor de bronnen met meer sterretjes geldt:

(**) De publieke versie van de Risicokaart is open data, maar de professionele versie niet. De professionele versie is voor de hulpdiensten kosteloos beschikbaar.

(***) Vaarwegen en betonning (RWS) zijn open data, maar de bathymetrie (iso-dieptelijnen van de Dienst Hydrografie van Defensie) niet.

Voor datasets die niet open data zijn, zullen convenanten moeten worden afgesloten met de eigenaar/beheerder van de registratie. Dit wordt zoveel mogelijk op landelijk niveau (Veiligheidsberaad/ IFV) gedaan. Elke veiligheidsregio kan nog steeds de data regionaal verkrijgen, verrijken en gebruiken, maar het convenant hoeft maar één keer afgesloten en beheerd te worden. Binnen het Veiligheidsberaad start vanaf 2015 een landelijk programma Geo dat onder andere dergelijke convenanten zal organiseren en beheren.

Eigen kernregistraties

Kernregistraties zijn interne gegevensverzamelingen die voor meervoudig gebruik in aanmerking komen. Deze gegevens worden gebruikt in verschillende applicatieve functies. Door verwijzing naar een gegeven uit een kernregistratie kunnen verschillende applicatieve functies aan elkaar gerelateerd worden. Binnen de veiligheidsregio’s kunnen de volgende kernregistraties worden geïdentificeerd:

• Incidenten: betreft de set aan basiskenmerken van een incidentmelding;

• Personeel: betreft de set aan basiskenmerken van een medewerker, zowel vast als tijdelijk en extern (inhuur);

• Materieel: betreft de set aan basiskenmerken van materieel die gebruikt wordt voor de hulpverlening;

• Objecten: betreft de set aan basiskenmerken van objecten in de openbare ruimte waarop verschillende werkzaamheden betrekking kunnen hebben (zoals bereikbaarheidskaarten, vergunningen, incidenten, etc.);

• Eigen locaties: betreft de set aan basiskenmerken over de vestigingslocaties van brandweerkazernes, ambulanceposten, meldkamers, alsmede de locaties van directe ketenpartners zoals politie, gemeenten, Defensie, KNRM, Reddingsbrigade, Justitie (Rechtbanken en penitentiaire locaties), waterschappen e.d.;

• Zorgcontinuïteit: betreft de set aan basiskenmerken over de zorgaanbieders en zorginstellingen (verminderd zelfredzame personen). Deze OOV kernregistratie staat in de praktijk bekend als “De Witte Kaart” en wordt beheerd door GGD/GHOR Nederland;

• Natuurbrandrisico: betreft de set aan basiskenmerken van natuurgebieden in termen van vatbaarheid voor natuurbrand;

• Budgetten: betreft de set aan basiskenmerken voor de financiële vastlegging van de werkzaamheden

• Documenten: betreft een set aan basiskenmerken van een document plus het document zelf. Een document is een verzameling gegevens vastgelegd op een gegevensdrager zoals bijvoorbeeld papier of digitaal bestand;

• Relatie: betreft een set aan basiskenmerken van een persoon of organisatie waarmee de Veiligheidsregio een zakelijke relatie heeft. Relaties kunnen gekoppeld zijn aan GBA en aan NHR;

• Organisatie-eenheid: betreft een set aan basiskenmerken van een organisatie-eenheid (groep binnen een organisatie die een gezamenlijk doel nastreeft);

• Zaak: betreft een set aan basiskenmerken van een zaak. Een zaak is een samenhangende hoeveelheid werk met een gedefinieerde aanleiding en gedefinieerd resultaat, waarvan kwaliteit en doorlooptijd bewaakt moeten worden;

• Inzet: betreft een set aan basiskenmerken van een gerealiseerde inzet van hulpverleners en sleutelfunctionarissen (in verband met uitbetaling, vakbekwaamheid).

Eigen kernregistraties worden dus door de veiligheidsregio’s zelf beheerd. Ook dit gebeurt bij voorkeur op landelijk niveau, onder het motto: landelijk wat kan, regionaal waar het moet.

Interne gegevensbronnen

Bij interne gegevensbronnen gaat het om de data die vastgelegd worden in de processystemen. Bij deze gegevens wordt meervoudig gebruik niet ondersteund. De vastgelegde data zijn dus zeer specifiek voor een bepaalde bedrijfsfunctie.

Geografische informatie

Strikt genomen behoort ‘geografische informatie’ geen eigen paragraaf te hebben, omdat geografische informatie al verweven zit in de typen gegevensbronnen zoals hierboven beschreven. Echter, gezien (a) het belang van ‘de kaart’ in het OOV werk en (b) de oogst van de VeRA Geo workshops uit 2013, wordt hier toch enige ruimte besteed aan geografische informatie, in termen van principes en uitgangspunten.

1. Er is geen strak onderscheid tussen ‘geografische informatie’ en ‘niet geografische informatie’. Geografische informatie kan gedefinieerd worden als alle gegevens die wenselijk zijn om een kaartbeeld betekenisvol te maken. Dat verschilt per bedrijfsfunctie. Voorbeeld: voor de GHOR in de bedrijfsfunctie “netwerkmanagement” is De Witte Kaart administratieve informatie; in de bedrijfsfunctie ‘op- en afschaling’ wordt diezelfde Witte Kaart (via LCMS) ineens geografische informatie. Dezelfde gegevens worden in die bedrijfsfunctie op een kaartbeeld getoond.

2. Enkele van de locatiegebaseerde basisregistraties kennen sectorale ‘plus-lagen’, zo ook voor de OOV sector. Het bekendste voorbeeld is de BGT, waar vele sectoren hun wensen hebben aangedragen voor hun sectorale ‘plus-laag’. Dergelijke sectorale inbreng wordt landelijk georganiseerd, via de landelijke Vakgroep Geo & Basisregistraties.

3. Het terugmelden van fouten (“bij gerede twijfel aan de juistheid”) geldt voor alle typen registraties. De hiervoor benodigde functionaliteit is echter veelal nog niet beschikbaar. Dit is belangrijk voor het behalen van het gewenste kwaliteitsniveau van de registraties en motivatie om de basisregistraties en kernregistraties te blijven gebruiken. Ook hieraan dient op landelijk niveau prioriteit te worden gegeven.

4. Geografische gegevens worden bij voorkeur zoveel mogelijk direct bij landelijke bronnen (PDOK, Geo4OOV) betrokken, tenzij beschikbaarheid/performance/storage/security redenen een regionale of lokale opslag vereisen. Dit fungeert dan als ‘cache’ van de bron.

5. Per bedrijfsfunctie kan geografische informatie worden bekeken, geanalyseerd en bewerkt (naast algemene functies zoals maken, beheren, delen, printen, en exporteren). In 2013 is in twee speciale Geo-workshops in kaart gebracht welke bedrijfsfuncties op welke wijze gebruik maken van Geo. Hieruit bleek dat bijvoorbeeld dat veel geo-analyses input vormen voor een volgend bedrijfsproces.

6. GIS vormt in technische zin een geheel van ICT (software en hardware), gegevens en methoden (workflow ondersteuning). In menselijke zin hoort daar ook nog de organisatie en de kennis en creativiteit bij. De VeRA stelt geen eisen aan GIS anders dan het algemene uitgangspunt dat open data en de facto open standaarden zoveel mogelijk worden ondersteund. De term de facto betekent ‘uit de praktijk’. Shapefiles bijvoorbeeld zijn strikt genomen geen open standaard, maar zijn in de praktijk wel een open standaard geworden en zijn dus toegestaan. Voorbeelden van andere toegestane formaten zijn: PostGIS, GeoJSON, SpatialLite, CSV, Excel, FGDB, KML, GeoTIFF, IMG, XYZ, en wat webservices betreft: WMS, WMTS, WFS, WCS, WMC, WPS. De actuele lijst met toegestane de facto standaarden wordt in een apart document gepubliceerd.

7. Op basis van de ‘bodemplaat’ wordt op landelijk niveau een koppeling gelegd tussen kaartlagen en het gegevensboek, zodat het opvragen van kaartlagen gebeurt met een term die onder beheer valt en zodat er een begrijpelijke legenda bij de gegevens gevoegd kan worden. 8. Iconen (pictogrammen) volgen de NEN 1414-plus standaard, voor zover mogelijk en relevant. Deze standaard is in beheer bij de landelijke NEN standaardisatiecommissie.

8. Iconen (pictogrammen) volgen de NEN 1414-plus standaard, voor zover mogelijk en relevant. Deze standaard is in beheer bij de landelijke NEN standaardisatiecommissie.